Psalmen 8Grote Kerk Epe

 

 

De mens, de kroon der schepping Gods

 

1 Voor de koorleider. Op de Gittit. Een psalm van David.

2 O Here, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde, Gij, die uw majesteit toont aan de hemel.

3 Uit de mond van kinderen en zuigelingen hebt Gij sterkte gegrondvest, uw tegenstanders ten spijt, om vijand en wraakgierige te doen verstommen.

4 Aanschouw ik uw hemel, het werk van uw vingers, de maan en de sterren, die Gij bereid hebt:

5 wat is de mens, dat Gij zijner gedenkt, en het mensenkind, dat Gij naar hem omziet?

6 Toch hebt Gij hem bijna goddelijk gemaakt, en hem met heerlijkheid en luister gekroond.

7 Gij doet hem heersen over de werken uwer handen, alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd:

8 schapen en runderen altegader en ook de dieren des velds,

9 de vogelen des hemels en de vissen der zee, hetgeen de paden der zeeën doorkruist.

10 O Here, onze Here, hoe heerlijk is uw naam op de ganse aarde.

 

 

Psalm 8 LB'73

1 Heer, onze Heer, hoe heerlijk en verheven hebt Gij uw naam op aarde uitgeschreven-

machtige God, Gij die uw majesteit ten hemel over ons hebt uitgebreid.

2 Wel doet de hemel hoog uw glorie blinken, maar in de mond van kind'ren doet Gij klinken uw machtig heil,

zo maakt G' uw vijand stil en doet uw haters buigen voor uw wil.

3 Aanschouw ik 's nachts het kunstwerk van uw handen, de maan, de duizend sterren die daar branden,

wat is de mens, dat Gij aan hem gedenkt, het mensenkind, dat Gij hem aandacht schenkt?

4 Gij hebt hem bijna goddelijk verheven, een kroon van eer en heerlijkheid gegeven,

Gij doet hem heersen over zee en land, ja, al uw werken gaaft Gij in zijn hand.

5 Al wat er land of water heeft tot woning, het moet de mens erkennen als zijn koning;

vogels en wild en al 't geduldig vee en wat er wemelt in de wijde zee.

6 Heer, onze Heer, hoe heerlijk en verheven hebt Gij uw naam op aarde uitgeschreven.

Heer, onze God, hoe vol van majesteit hebt Gij uw naam op aarde uitgebreid.

 

Tekstpreek