DR HENK VREEKAMP
1943-2016
DOOR JOODSE VRAGEN
UITGEDAAGDE HEIDEN
CHRISTELIJKE THEOLOOG

Schriftlezing:

 

Mattheüs 6: 24-34 

24 Niemand is bij machte twee heren te dienen; want of hij zal de ene haten en de andere liefhebben, of aan de ene zich hechten en de andere minachten; ge zijt niet bij machte God te dienen én Mammon! 25 Daarom zeg ik u: weest niet bezorgd voor uw ziel over wat ge moet eten en niet voor uw lichaam over wat ge moet aantrekken; is de ziel niet méér dan het voedsel en het lichaam dan de kledij?- 26 kijkt naar de vogels van de hemel, omdat zij niet zaaien en niet maaien en niet verzamelen in schuren, en uw hemelse Vader hen voedt: verschilt gíj niet heel wat van hen?- 27 wie is met bezorgd zijn bij machte één el aan zijn lengte toe te voegen?- 28 en wat maakt ge u zorgen over kleding?- leert van de –oordeelloze– leliën* op het veld, hoe ze groeien: zij zwoegen niet en spinnen niet… 29 ik zeg u dat zelfs Salomo in al zijn heerlijkheid niet omworpen* is geweest als één van hen; 30 maar als God het gras op het veld dat er vandaag is en morgen in een oven wordt geworpen zó tooit, dan niet veel méér ú, kleingelovigen?- Bijbelboek Matteüs Hoofdstuk : vers : Zoekterm Instellingen Verberg printversie Meer contrast 31 maakt u dus geen zorgen, zeggend: wat moeten we eten?, of: wat moeten we drinken?, of: wat werpen we om?- 32 want naar dat alles zoeken de volkeren,- uw hemelse Vader wéét immers dat ge dit alles nodig hebt!- 33 maar zoekt eerst het koninkrijk en zijn gerechtigheid, en dat alles zal u worden toegevoegd; 34 weest dus niet bezorgd voor (de dag van) morgen, want die van morgen zal bezorgd zijn over zichzelf; genoeg is voor de dag haar eigen kwaad!

 

Liedpreek Gezang 448

Utrecht Domkerk Bätzorgel

1 Soms groet een licht van vreugde de christen als hij zingt:
de Heer is ’t die met vleugels van liefde hem omringt.
Loopt alles ons ook tegen, Hij zal ons ’t goede doen,
Hij geeft na donkre regen een mild en klaar seizoen.

 

2 Goddank, wij overdenken ’t geheim van onze Heer,
het heil dat Hij wil schenken, dat nieuw is altijd weer.
Bevrijd van onze zorgen begroeten wij de dag
en vrezen niet de morgen, wat hij brengen mag.

 

3 Hij die met heerlijkheden de leliën bekleedt,
zal ook zijn kindren kleden, Hij kent ons lief en leed.
Geen schepsel wordt vergeten, Hij houdt het al in stand,
die vogels geeft te eten, Hij voedt ons uit zijn hand.

 

4 Al zal geen wijnstok dragen, geen vijgeboom zijn vrucht,
al ligt het veld te klagen onder een lege lucht,
God doet zijn hand toch open, zijn lof krijgt stem in mij.
Daar ik op Hem mag hopen, ben ik alleen maar blij.

 

Tekst preek

Grote Kerk Epe

In dit venster vind u een liedpreek.

Vreekamp refereerd o.a. aan deze tekst:

 

Mattheüs 12: 40

Want zoals Jona drie dagen en drie nachten in de buik van een grote vis zat, zo zal de Mensenzoon drie dagen en drie nachten in het binnenste van de aarde verblijven.

 

De verkondiging is zolas hij die zelf noemde ‘een liedpreek’, zoals Vreekamp die wel meer kon houden.

Deze gaat rondom Gezang 211 uit het Liedboek ’73 het vierde vers:

 

Gezang 211: 4 LB’73

Christus is nedergestegen,

Hij heeft victorie verkregen.

Hij is ons allen een Medicijn,

Christus zal onze Verlosser zijn.

Kyrieleis.

 

De tekst die hij destijds plaatste

 

Schriftlezingen:

 

1e Lezing: Jesaja 56: 1-7

 

1 Dit zegt de HEER: Handel rechtvaardig, handhaaf het recht; de redding die ik breng is nabij, en weldra openbaar ik mijn gerechtigheid. 2 Gelukkig de mens die zo handelt, het mensenkind dat hieraan vasthoudt; hij neemt de sabbat in acht en ontwijdt hem niet, hij weerhoudt zijn hand van het kwaad. 3 De vreemdeling die zich met de HEER heeft verbonden, laat hij niet zeggen: ‘De HEER zondert mij zeker af van zijn volk.’ En laat de eunuch niet zeggen: ‘Ik ben maar een dorre boom.’ 4 Want dit zegt de HEER: De eunuch die mijn sabbat in acht neemt, die keuzes maakt naar mijn wil, die vasthoudt aan mijn verbond, 5 hem geef ik iets beters dan zonen en dochters: een gedenkteken en een naam in mijn tempel en binnen de muren van mijn stad. Ik geef hem een eeuwige naam, een naam die onvergankelijk is. 6 En de vreemdeling die zich met de HEER heeft verbonden om hem te dienen en zijn naam lief te hebben, om dienaar van de HEER te zijn – ieder die de sabbat in acht neemt en niet ontwijdt, ieder die vasthodt aan mijn verbond –, 7 hem breng ik naar mijn heilige berg, hem schenk ik vreugde in mijn huis van gebed; zijn offers zijn welkom op mijn altaar. Mijn tempel zal heten ‘Huis van gebed voor alle volken’.

 

2e Lezing: Mattheüs 15: 21-28

 

21 En weer vertrok Jezus; hij week uit naar het gebied van Tyrus en Sidon. 22 Plotseling klonk de roep van een Kanaänitische vrouw die uit die streek afkomstig was: ‘Heb medelijden met mij, Heer, Zoon van David! Mijn dochter wordt vreselijk gekweld door een demon.’ 23 Maar hij keurde haar geen woord waardig. Zijn leerlingen kwamen naar hem toe en vroegen hem dringend: ‘Stuur haar toch weg, anders blijft ze maar achter ons aan schreeuw
en.’ 24 Hij antwoordde: ‘Ik ben alleen gezonden naar de verloren schapen van het volk van Israël.’ 25 Maar zij kwam dichterbij, wierp zic
h voor hem neer en zei: ‘Heer, help mij!’ 26 Hij antwoordde: ‘Het is niet goed om de kinderen hun brood af te nemen en het aan de honden te voeren.’ 27 Ze zei: ‘Zeker, Heer, maar de honden eten toch de kruimels op die van de tafel van hun baas vallen.’ 28 Toen antwoordde Jezus haar: ‘U hebt een groot geloof! Wat u verlangt, zal ook gebeuren.’ En vanaf dat moment was haar dochter genezen.

 

Tekst preek

Domkerk

 

Markus 3: 20-35

20 Hij komt een huis binnen, en weer komt er zo’n schare samen dat zij niet bij machte zijn hun brood te eten. 21 Als wie bij hem zijn dat horen komen ze naar buiten om hem te overmeesteren; 22 want, hebben ze gezegd, hij treedt buiten zichzelf! De schriftgeleerden die uit Jeruzalem afdalen, hebben gezegd: hij heeft Beëlzeboel (in zich)!, en: één met de overste der demonieën werpt hij de demonieën uit! 23 Hen tot zich roepend heeft hij in tegenwerpspreuken* tot hen gezegd: hoe is een satan bij machte een satan uit te werpen?- 24 en als een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld raakt, is het niet bij machte staande te blijven, dat koninkrijk; 25 als een huishouden tegen zichzelf verdeeld raakt, dan kan dat huis onmogelijk staan; 26 en als de satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld raakt, kan hij onmogelijk standhouden, nee, dan heeft hij een einde; 27 nee, niemand is bij machte het huis van de sterke binnen te komen om diens spullen te roven, als hij de sterke niet eerst vastbindt; en dán zal hij diens huis leegroven; 28 amen is het, zeg ik u: alles zal aan de mensenzonen vergeven worden, de bezondigingen en evenveel lasteringen als waarmee ze zullen lasteren, 29 maar als iemand lastert tegen de heilige Geest, die heeft tot in eeuwigheid geen vergeving, nee, die heeft deel aan eeuwige bezondiging! 30 (Dit) omdat zij hebben gezegd: hij heeft een onreine geest in zich! 31 Dan komen zijn moeder en zijn broers; ze blijven buiten staan en zenden bericht aan hem en laten hem roepen. 32 Om hem heen heeft een schare gezeten; ze zeggen tot hem: zie, uw moeder, uw broers en uw zusters buiten zoeken u! 33 Ten antwoord zegt hij tot hen: wíe ís mijn moeder, en mijn broeders? 34 Hij kijkt in het rond naar hen die in een cirkel rondom hem zitten, en zegt: ziehier mijn moeder en mijn broeders!- 35 wie de wil van God zal doen, die is mijn broeder, en zuster, en moeder!

 

Tekstpreek

Schriftlezingen moeten zijn geweest:

Domkerk

 

1e lezing Jesaja 63: 7-14

7 Ik zal de gunstbewijzen des Heren vermelden, de roemrijke daden des Heren, naar alles wat de Here ons heeft gedaan en naar de grote goedheid jegens het huis Israëls, welke Hij het betoond heeft naar zijn barmhartigheid en naar zijn vele gunstbewijzen. 8 Hij zeide: Zij zijn toch mijn volk, kinderen, die niet trouweloos worden, en Hij werd hun tot een Verlosser. 9 In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd, en de Engel zijns aangezichts heeft hen gered. In zijn liefde en in zijn mededogen heeft Hij zelf hen verlost en Hij hief hen op en droeg hen al de dagen van ouds. 10 Maar zij waren wederspannig en bedroefden zijn heilige Geest; daarom veranderde Hij voor hen in een vijand. 11 Hij zelf streed tegen hen. Maar Hij dacht aan de dagen van ouds, aan Mozes, aan zijn volk. Waar is Hij, die de herders zijner kudde voerde uit de wateren? Waar is Hij, die zijn heilige Geest in hun binnenste gaf? 12 Die zijn luisterrijke arm aan de rechterhand van Mozes deed gaan, die vóór hen de wateren kliefde om Zich een eeuwige naam te maken; 13 die hen deed gaan door de waterdiepten? Evenmin als een paard in de woestijn struikelden zij; 14 als aan het vee, dat afdaalt in de vallei, gaf de Geest des Heren hun rust. Zo hebt Gij uw volk geleid om U een luisterrijke naam te maken.

 

2e lezing Markus 6: 45-52

45 En terstond dwong Hij zijn discipelen in het schip te gaan en Hem vooruit te varen naar de overkant, naar Betsaïda, terwijl Hij zelf de schare wegzond. 46 En toen Hij afscheid van hen genomen had, ging Hij naar de berg om te bidden. 47 En bij het vallen van de avond was het schip midden op de zee, en Hij was alleen aan land. 48 En toen Hij zag, dat zij zich aftobden om vooruit te komen bij het varen – want zij hadden de wind tegen – kwam Hij omstreeks de vierde nachtwake tot hen, gaande over de zee; en Hij wilde hen voorbijgaan. 49 Toen zij Hem over de zee zagen gaan, meenden zij, dat het een spook was en zij schreeuwden luid. 50 Want allen zagen zij Hem en werden verbijsterd. Maar terstond sprak Hij met hen en zeide tot hen: Houdt moed, Ik ben het, weest niet bevreesd! 51 En Hij klom bij hen in het schip en de wind ging liggen. En zij waren innerlijk bovenmate ontsteld, 52 want zij waren bij de broden niet tot inzicht gekomen, maar hun hart was verhard.

 

Preek n.a.v. Lied 56 uit Liedboek’73

1 Ga in het schip, zegt Gij, steek van het strand. Vaar tegen wind en tij, vaar naar de overkant, wacht daar op Mij.

2 Geeft Gij ons nu een steen, Meester, voor brood? Laat Gij ons nu alleen? Laat Gij ons in de nood? Zendt Gij ons heen?

3 Wij zien alleen nog maar water en wind. Zegt Gij dan: wacht Mij daar? Wij, nu de nacht begint, weten niet waar.

4 Wandelt Gij als een schim over het meer? Werd Gij een verre glimp? Heer, zijt Gij onze Heer, kom van de kim!

5 Kom met uw scheppingswoord in onze ziel! Spreek dat de wind het hoort! Kom, dat het water knielt, bij ons aan boord!

6 Ik ben het, zegt Gij dan. Kom maar met Mij mee naar de overkant. Wees maar niet bang, zegt Gij, hier is mijn hand.

Van een aantal diensten is er geen geluid bestand wel tekst:

 

Tekst preek

Domkerk

Schriftlezingen:

 

1e lezing Micha 5

1 En gij, Bethlehem Efratha! zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda? Uit u zal Mij voortkomen, Die een Heerser zal zijn in Israël, en Wiens uitgangen zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid. 2 Daarom zal Hij henlieden overgeven, tot den tijd toe, dat zij, die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen Zijner broederen zich bekeren met de kinderen Israëls. 3 En Hij zal staan, en zal weiden in de kracht des HEEREN, in de hoogheid van den Naam des HEEREN, Zijns Gods, en zij zullen wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde. 4 En Deze zal Vrede zijn; wanneer Assur in ons land zal komen, en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht vorsten uit de mensen. 5 Die zullen het land van Assur afweiden met het zwaard, en het land van Nimrod in deszelfs ingangen. Alzo zal Hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen, en wanneer hij in onze landpale zal treden. 6 En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken, als een dauw van den HEERE, als droppelen op het kruid, dat naar geen man wacht, noch mensenkinderen verbeidt. 7 Ja, het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden; dewelke, wanneer hij doorgaat, zo vertreedt en verscheurt hij, dat niemand redde. 8 Uw hand zal verhoogd zijn boven uw wederpartijders, en al uw vijanden zullen uitgeroeid worden. 9 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de HEERE, dat Ik uw paarden uit het midden van u zal uitroeien, en Ik zal uw wagenen verdoen. 10 En Ik zal de steden uws lands uitroeien, en Ik zal al uw vestingen afbreken. 11 En Ik zal de toverijen uit uw hand uitroeien, en gij zult geen guichelaars hebben. 12 En Ik zal uw gesneden beelden en uw opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult nederbuigen voor het werk uwer handen. 13 Voorts zal Ik uw bossen uit het midden van u uitroeien, en Ik zal uw steden verdelgen. 14 En Ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen, die niet horen.

 

2e lezing Lukas 1: 56-80

56 En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis. schilderij van Domenico Ghirlandaio: De geboorte van Johannes de Doper » meer 57 En de tijd van Elizabet werd vervuld, dat zij baren zoude, en zij baarde een zoon. 58 En die daar rondom woonden, en haar magen hoorden, dat de Heere Zijn barmhartigheid grotelijks aan haar bewezen had, en waren met haar verblijd. 59 En het geschiedde, dat zij op den achtsten dag kwamen, om het kindeken te besnijden, en noemden het Zacharias, naar den naam zijns vaders. 60 En zijn moeder antwoordde en zeide: Niet alzo, maar hij zal Johannes heten. 61 En zij zeiden tot haar: Er is niemand in uw maagschap, die met dien naam genaamd wordt. 62 En zij wenkten zijn vader, hoe hij wilde, dat hij genaamd zou worden. schilderij van Fra Angelico: Zacharias geeft Johannes zijn naam » meer 63 En als hij een schrijftafeltje geëist had, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen. 64 En terstond werd zijn mond geopend, en zijn tong losgemaakt; en hij sprak, God lovende. 65 En er kwam vrees over allen, die rondom hen woonden; en in het gehele gebergte van Judea werd veel gesproken van al deze dingen. 66 En allen, die het hoorden, namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kindeken wezen? En de hand des Heeren was met hem. 67 En Zacharias, zijn vader, werd vervuld met den Heiligen Geest, en profeteerde, zeggende: 68 Geloofd zij de Heere, de God Israëls, want Hij heeft bezocht, en verlossing te weeg gebracht Zijn volke; 69 En heeft een hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht; 70 Gelijk Hij gesproken heeft door den mond Zijner heilige profeten, die van het begin der wereld geweest zijn; 71 Namelijk een verlossing van onze vijanden, en van de hand al dergenen, die ons haten; 72 Opdat Hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan Zijn heilig verbond; 73 En aan den eed, dien Hij Abraham, onzen vader, gezworen heeft, om ons te geven. 74 Dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreze. 75 In heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levens. 76 En gij, kindeken, zult een profeet des Allerhoogsten genaamd worden; want gij zult voor het aangezicht des Heeren heengaan, om Zijn wegen te bereiden; 77 Om Zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden, 78 door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte; 79 Om te verschijnen dengenen, die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods; om onze voeten te richten op den weg des vredes. 80 En het kindeken wies op, en werd gesterkt in den geest, en was in de woestijnen, tot den dag zijner vertoning aan Israël.

 

Tekst preek

Schriftlezing:DomkerkUtrecht rijksmonumenen.nl

 

Lukas 10: 38-42

38 Maar als ze voortgaan komt hij binnen in zomaar een dorp; zomaar een vrouw, met de naam Marta, verwelkomt hem in haar huis. 39 Zij heeft een zuster gehad, met roepnaam Maria, die óók, gezeten aan de voeten van de Heer, zijn spreken heeft gehoord. 40 Maar Marta is druk bezig geweest met veel dienstwerk; ze komt bij hem staan en zegt: heer, maakt het je niet uit dat mijn zuster het bedienen aan mij alleen heeft overgelaten?- zeg haar dan dat ze het samen met mij op zich moet nemen! 41 Maar ten antwoord zegt de Heer tot haar: Marta, Marta, je bent bezorgd en druk over vele dingen; 42 maar aan weinige dingen is gebrek, behalve aan één ding!- Maria kiest immers het goede deel dat van haar niet zal worden afgenomen!

 

Tekstpreek

Schriftlezingen:DomkerkUtrecht rijksmonumenen.nl

 

1e lezing Genesis 4

1 De mens, Adam, had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Kaïn ter wereld. ‘Met de hulp van de HEER,’ zei ze, ‘heb ik het leven geschonken aan een man!’ 2 Later bracht ze zijn broer ter wereld, Abel. Abel werd herder, Kaïn werd landbouwer. 3 Op een keer bracht Kaïn de HEER een offer van wat hij had geoogst. 4 Ook Abel bracht een offer; van de eerstgeboren dieren van zijn kudde koos hij de mooiste uit. De HEER merkte Abel en zijn offer op, 5 maar voor Kaïn en zijn offer had hij geen oog. Dat maakte Kaïn woedend, zijn blik werd donker. 6 De HEER vroeg hem: ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? 7 Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij.’ 8 Kaïn zei tegen zijn broer Abel: ‘Laten we het veld in gaan.’ Toen ze daar waren, viel hij zijn broer aan en sloeg hem dood. 9 Toen vroeg de HEER: ‘Waar is Abel, je broer?’ ‘Dat weet ik niet,’ antwoordde Kaïn. ‘Moet ik soms waken over mijn broer?’ 10 ‘Wat heb je gedaan?’ zei de HEER. ‘Hoor toch hoe het bloed van je broer uit de aarde naar mij schreeuwt. 11 Daarom: vervloekt ben jij! Ga weg van deze plek, waar de aarde haar mond heeft opengesperd om het bloed van je broer te ontvangen, het bloed dat jij vergoten hebt. 12 Ook al bewerk je het land, het zal je niets meer opbrengen. Dolend en dwalend zul je over de aarde gaan.’ 13 Kaïn zei tegen de HEER: ‘Die straf is te zwaar. 14 U verjaagt mij nu van deze plek en ik mag u niet meer onder ogen komen, en als ik dan dolend en dwalend over de aarde moet gaan, kan iedereen die mij tegenkomt mij doden.’ 15 Maar de HEER beloofde hem: ‘Als iemand jou doodt, zal dat zevenmaal aan hem worden gewroken.’ En hij merkte Kaïn met een teken, opdat niemand die hem tegenkwam hem zou doodslaan. 16 Toen ging Kaïn bij de HEER vandaan en hij vestigde zich in Nod, een land ten oosten van Eden. 17 Kaïn had gemeenschap met zijn vrouw, en zij werd zwanger en bracht Henoch ter wereld. Kaïn was toen een stad aan het bouwen en hij noemde die Henoch, naar zijn zoon. 18 Henoch kreeg een zoon, Irad. Irad was de vader van Mechujaël, Mechujaël was de vader van Metusaël en Metusaël was de vader van Lamech. 19 Lamech nam twee vrouwen; de ene heette Ada, de andere Silla. 20 Ada bracht Jabal ter wereld; hij werd de stamvader van hen die in tenten leven en vee houden. 21 Zijn broer heette Jubal; hij werd de stamvader van allen die op de lier of de fluit spelen. 22 Ook Silla bracht een zoon ter wereld, Tubal-Kaïn; hij was smid en werd de stamvader van allen die brons en ijzer bewerken. De zuster van Tubal-Kaïn heette Naäma. 23 Lamech zei tegen zijn vrouwen: ‘Ada en Silla, hoor wat ik zeg! Vrouwen van Lamech, luister naar mij! Wie mij verwondt, die sla ik dood, zelfs wie mij maar een striem toebrengt. 24 Kaïn wordt zevenmaal gewroken, Lamech zevenenzeventigmaal.’ 25 Opnieuw had Adam gemeenschap met zijn vrouw, en zij bracht een zoon ter wereld. Ze noemde hem Set, ‘want,’ zei ze, ‘God heeft mij in de plaats van Abel, die door Kaïn is gedood, een ander kind gegeven.’ 26 Ook Set kreeg een zoon, die hij Enos noemde. In die tijd begon men de naam van de HEER aan te roepen.

 

2e lezing Johannes 21: 1-14

1 Hierna verscheen Jezus weer aan de leerlingen, nu bij het Meer van Tiberias. Dat gebeurde als volgt. 2 Bij het meer waren Simon Petrus en Tomas (dat betekent ‘tweeling’), Natanaël uit Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee andere leerlingen. 3 Petrus zei: ‘Ik ga vissen.’ ‘Wij gaan met je mee,’ zeiden de anderen. Ze stapten in de boot, maar de hele nacht vingen ze niets. 4 Toen het al ochtend werd, stond Jezus op de oever, al wisten de leerlingen niet dat het Jezus was. 5 Hij riep: ‘Hebben jullie soms iets te eten?’ ‘Nee,’ antwoordden ze. 6 ‘Gooi het net aan stuurboord uit,’ riep Jezus, ‘dan lukt het wel.’ Ze wierpen het net uit en er zat zo veel vis in dat ze het niet omhoog konden trekken. 7 De leerling van wie Jezus hield zei tegen Petrus: ‘Het is de Heer!’ Zodra Simon Petrus dat hoorde, schortte hij zijn bovenkleed op – meer had hij niet aan – en sprong in het water. 8 De andere leerlingen kwamen met de boot en sleepten het net vol vis achter zich aan. Ze waren niet ver van de oever, ongeveer tweehonderd el. 9 Toen ze aan land kwamen zagen ze een vuurtje met vis erop en brood. 10 Jezus zei: ‘Breng ook wat van de vis die jullie net gevangen hebben.’ 11 Simon Petrus ging weer aan boord en trok het net aan land. Het zat vol grote vissen, welgeteld honderddrieënvijftig, en toch scheurde het niet. 12 Jezus zei tegen hen: ‘Kom, eet iets.’ Geen van de leerlingen durfde hem te vragen wie hij was, ze begrepen dat het de Heer was. 13 Jezus nam het brood en gaf hun ervan, en hij gaf hun ook vis. 14 Dit was al de derde keer dat Jezus aan de leerlingen verscheen nadat hij uit de dood was opgestaan.

 

Tekstpreek pdf