4e zondag van Epifanie.
Vanmiddag staan de 10 woorden centraal.
Schriftlezingen:
1e lezing Mattheus 5: 17 en 18 vanuit de Naardense Bijbel:
17 Meent niet dat ik ben gekomen om de Wet of de profeten los te maken; ik ben niet gekomen om los te maken, nee, om te vervullen; 18 want amen is het, zeg ik u, totdat de hemel voorbijgaat en de aarde, zal er niet één jota of één haaltje uit de Wet voorbijgaan, totdat alles is geschied;
2e lezing Exodus 19: 24 – 20: 21
24 Dan zegt tot hem de Ene: ga, daal af; en klim dan op, jij en Aäron samen met jou; de priesters en de gemeente: laten ze niet doordringen om op te klimmen tot de Ene, opdat hij niet tegen hen losbreekt! 25 Mozes daalt af tot de gemeente; hij zegt tot hen: Exodus 20: 1 God spreekt al déze woorden en zegt: 2 ik ben de Ene, God-over-jou, die jou heb uitgeleid uit het land van Egypte, uit het dienaarshuis. 3 Niet zal dít er voor jou wezen: ándere goden, bij mijn aanschijn! 4 Niet zul je voor jezelf maken een snijbeeld of welke gestalte ook die is in de hemelen boven, die is op het aardland beneden of die is in de wateren onder het aardland! 5 Níet zul je je voor hen buigen en níet zul je hen dienen; want ik, de Ene, God-over-jou, ben een naijverig God die onrecht van vaders aan zónen bezoekt, aan derden en vierden van hen die mij haten; 6 en die vriendschap bewijst aan dúizenden: aan hen die mij liefhebben en mijn geboden bewaken! 7 Níet aanheffen zul je de naam van de Ene, God-over-jou, voor valse zaken; want niet ongestraft laat de Ene wie zijn naam aanheft voor valse zaken! 8 Gedenk de dag van de sabbat,- het rusten, door die te heiligen; 9 een zestal dagen mag je dienen en al je werk doen, 10 en de zevende dag is een sabbat voor de Ene, God-over-jou; níet doen zul je welk werk ook: jij, je zoon, je dochter, je dienaar, je dienstmaagd, je vee noch de zwerver-te-gast die in je poorten is. 11 Want in zes dagen heeft de Ene de hemelen en het aardland gemaakt, de zee en al wat er in hen is, en hij hield rust op de zevende dag; daarom heeft de Ene de sabbatdag gezegend en hem geheiligd! 12 Eer je vader en je moeder; opdat je dagen lang mogen worden op de –rode– grond die de Ene, God-over-jou, aan jou geeft! 13 Níet doodslaan zul je; 14 níet vreemdgaan zul je; 15 níet stelen zul je en 16 níet antwoorden zul je over je naaste als een getuige die liegt!- 17 níet begeren zul je het huis van je naaste; niet begeren zul je de vrouw van je naaste, zijn dienaar, zijn dienstmaagd, zijn os, zijn ezel, ja, al wat van je naaste is! 18 Heel de gemeente, als ze zien de donderstemmen, de bliksemschichten, de stem van de ramshoorn en de rokende berg; als de gemeente dat ziet, wankelen ze en gaan ver weg staan. 19 Ze zeggen tot Mozes: spreek jij met ons en we zullen horen; laat niet God met ons spreken, anders zullen we sterven! 20 Mozes zegt tot de gemeente: vreest niet, want met het doel u te beproeven is God gekomen; en met het doel dat er vreze voor hem zal wezen op uw aanschijn, zodat ge niet zondigt! 21 De gemeente blijft van verre staan; Mozes is de mistdonkerte in getreden waarin God is.
Leerdienst Thora en Evangelie, Grote Verzoendag.
Schriftlezingen:
1e lezing Hebreeën 4 : 14-16
14 Nu wij dan een grote Hogepriester hebben, Die de hemelen is doorgegaan, namelijk Jezus, de Zoon van God, laten wij aan deze belijdenis vasthouden. 15 Want wij hebben geen Hogepriester Die geen medelijden kan hebben met onze zwakheden, maar Een Die in alles op dezelfde wijze als wij is verzocht, maar zonder zonde. 16 Laten wij dan met vrijmoedigheid naderen tot de troon van de genade, opdat wij barmhartigheid verkrijgen en genade vinden om geholpen te worden op het juiste tijdstip.
2e lezing Leviticus 16: 29-34
29 Dit is voor u tot een eeuwige verordening: u moet in de zevende maand, op de tiende dag van de maand, uzelf verootmoedigen en geen enkel werk doen, de ingezetene niet, en de vreemdeling die in uw midden verblijft, evenmin. 30 Want op deze dag wordt voor u verzoening gedaan om u te reinigen. Van al uw zondenwordt u voor het aangezicht van de HEERE gereinigd. 31 Het is voor u sabbat, een dag van volledige rust, opdat u uzelf verootmoedigt. Dit is een eeuwige verordening. 32 En de priester die men gezalfd en gewijd heeft om in de plaats van zijn vader als priester te dienen, moet de verzoening doen, als hij de linnen kleren, de heilige kleren, heeft aangetrokken. 33 Zo moet hij het heilige heiligdom verzoenen. De tent van ontmoeting en het altaar moet hij verzoenen en hij moet voor de priesters en voor heel het volk van de gemeente verzoening doen. 34 Dit is voor u tot een eeuwige verordening om voor de Israëlieten eenmaal per jaar verzoening te doen voor al hun zonden. En men deed zoals de HEERE Mozes geboden had.
Schriftlezingen:
1e lezing Deuteronomium 26: 1-11
1 Straks zult u het land binnengaan dat de HEER, uw God, u als grondgebied zal geven. U zult het in bezit nemen en er gaan wonen. 2 U zult er de oogst kunnen binnenhalen. Als u daarvan dan het eerste en beste deel in een mand meeneemt naar de plaats die de HEER, uw God, zal uitkiezen om er zijn naam te laten wonen, 3 en u verschijnt er voor de priester die daar op dat moment dienstdoet, zeg dan het volgende tegen hem: ‘Hiermee verklaar ik voor de HEER, uw God, dat ik het land waarvan de HEER onze voorouders onder ede heeft beloofd dat hij het ons zou geven, ben binnengegaan. 4 Als de priester de mand in ontvangst heeft genomen en die voor het altaar van de HEER, uw God, heeft neergezet, 5 moet u het volgende voor de HEER belijden: ‘Mijn vader was een zwervende Arameeër. Hij trok naar Egypte en woonde daar als vreemdeling met een handvol mensen, maar ze groeiden uit tot een zeer groot en machtig volk. 6 De Egyptenaren begonnen ons slecht te behandelen: ze onderdrukten ons en dwongen ons tot slavenarbeid. 7 Toen klaagden we de HEER, de God van onze voorouders, onze nood. Hij hoorde ons hulpgeroep en zag ons ellendig slavenbestaan. 8 En de HEER bevrijdde ons uit Egypte, met sterke hand en opgeheven arm, op angstaanjagende wijze, met tekenen en wonderen. 9 Hij bracht ons hierheen en gaf ons dit land, dat overvloeit van melk en honing. 10 HEER, hierbij breng ik u de eerste opbrengst van het land dat u me gegeven hebt.’ Bied de HEER, uw God, zo uw gaven aan en kniel voor hem neer. 11 Daarna mag u, samen met de Levieten en de vreemdelingen die bij u wonen, een feestmaal houden met al het goede dat u en uw familie van hem hebben ontvangen.
2e Lezing Lukas 14: 1-11
1 Toen hij op sabbat naar het huis van een vooraanstaande farizeeër ging, waar hij voor een maaltijd was uitgenodigd, hielden ze hem in het oog. 2 Er was daar iemand met waterzucht.3 Jezus vroeg aan de wetgeleerden en de farizeeën: ‘Is het toegestaan hem op sabbat te genezen of niet?’ 4 Maar ze zwegen. Hij pakte de man bij de hand, genas hem en stuurde hem weg. 5 En tegen de farizeeën en wetgeleerden zei hij: ‘Als uw zoon of uw os in een put valt, dan haalt u hem er toch meteen uit, ook al is het sabbat?’ 6 En daarop hadden ze geen antwoord. 7 Hij vertelde de genodigden een gelijkenis, want hij had gezien hoe ze de ereplaatsen voor zichzelf kozen. Hij zei tegen hen: 8 ‘Wanneer u door iemand wordt uitgenodigd voor een bruiloft, kies dan niet de ereplaats, want misschien is er wel iemand uitgenodigd die voornamer is dan u, 9 en dan moet uw gastheer tegen u zeggen: “Sta uw plaats aan hem af.” Dan zult u beschaamd de minste plaats moeten innemen. 10 Als u wordt uitgenodigd, kies dan de minste plaats, zodat uw gastheer tegen u zal zeggen: “Kom toch dichterbij!” Dan wordt u eer betoond ten overstaan van iedereen die samen met u aan tafel aanligt. 11 Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.’
