DR HENK VREEKAMP
1943-2016
DOOR JOODSE VRAGEN
UITGEDAAGDE HEIDEN
CHRISTELIJKE THEOLOOG

In een serie van 7 diensten wordt stil gestaan bij de tijd na Pasen vanuit het Oude Testament.

Het volk Israël na Pasen, na EgypteIMG 2224

Aan de hand van 7 tekenen.

Deze tweede dienst staat in het teken “van de wolkkolom en de vuur kolom“.

 

Schriftlezingen:

 

1e lezing Exodus 13: 17-22

17 En het is geschied, toen Farao het volk had laten trekken, zo leidde hen God niet op den weg van het land der Filistijnen, hoewel die nader was; want God zeide: Dat het den volke niet rouwe, als zij den strijd zien zouden, en wederkeren naar Egypte. 18 Maar God leidde het volk om, langs den weg van de woestijn der Schelfzee. De kinderen Israëls nu togen bij vijven uit Egypteland. 19 En Mozes nam de beenderen van Jozef met zich; want hij had met een zwaren eed de kinderen Israëls bezworen, zeggende: God zal ulieden voorzeker bezoeken; voert dan mijn beenderen met ulieden op van hier! 20 Alzo reisden zij uit Sukkoth; en zij legerden zich in Etham, aan het einde der woestijn. 21 En de HEERE toog voor hun aangezicht, des daags in een wolkkolom, dat Hij hen op den weg leidde, en des nachts in een vuurkolom, dat Hij hen lichtte, om voort te gaan dag en nacht. 22 Hij nam de wolkkolom des daags, noch de vuurkolom des nachts niet weg van het aangezicht des volks.

 

2e lezing 1 Corinthiërs 10: 1-12

1 En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; 2 En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; 3 En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; 4 En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. 5 Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen. 6 En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben. 7 En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen. 8 En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend. 9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield. 10 En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver. 11 En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn. 12 Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.

 

Dienst beluisteren

Orde van de dienst

 

In een serie van 7 diensten wordt stil gestaan bij de tijd na Pasen maar dan uit het Oude Testament259 HV 1978.04.02 Woestijnreis deel 1.

Het volk Israel na Pasen, na Egypte

Aan de hand van 7 tekenen.

Deze dienst staat in het eerste teken: “de doortocht door de Rode Zee”

 

Schriftlezingen:

 

1e lezing Exodus 14: 26-31

26 En de HEERE zeide tot Mozes: Strek uw hand uit over de zee, dat de wateren wederkeren over de Egyptenaars, over hun wagenen en over hun ruiters.27 Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee; en de zee kwam weder, tegen het naken van den morgenstond, tot haar kracht; en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet; en de HEERE stortte de Egyptenaars in het midden der zee. 28 Want als de wateren wederkeerden, zo bedekten zij de wagenen en de ruiters van het ganse heir van Farao, dat hen nagevolgd was in de zee; er bleef niet een van hen over. 29 Maar de kinderen Israëls gingen op het droge, in het midden der zee; en de wateren waren hun een muur, aan hun rechter hand en aan hun linkerhand. 30 Alzo verloste de HEERE Israël aan dien dag uit de hand der Egyptenaren; en Israël zag de Egyptenaren dood aan den oever der zee. 31 Ook zag Israël de grote hand, die de HEERE aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde den HEERE, en geloofde in den HEERE, en aan Mozes, Zijn knecht.

 

2e lezing 1 Corinthiërs 10: 1-12

1 En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, dat onze vaders allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn; 2 En allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee; 3 En allen dezelfde geestelijke spijs gegeten hebben; 4 En allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots, die volgde; en de steenrots was Christus. 5 Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen. 6 En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben. 7 En wordt geen afgodendienaars, gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten, en om te drinken, en zij stonden op om te spelen. 8 En laat ons niet hoereren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en er vielen op een dag drie en twintig duizend. 9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield. 10 En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver. 11 En deze dingen alle zijn hunlieden overkomen tot voorbeelden; en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn. 12 Zo dan, die meent te staan, zie toe, dat hij niet valle.

 

IMG 2223

 

Beluister de dienst

Orde van de dienst

 

 

 

Schriftlezingen:Sionskerk epe

 

1e lezing Exodus 15: 13-22

13 Gij leiddet door Uw weldadigheid dit volk, dat Gij verlost hebt; Gij voert hen zachtkens door Uw sterkte tot de liefelijke woning Uwer heiligheid. 14 De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen. 15 Dan zullen de vorsten van Edom verbaasd wezen; beving zal de machtigen der Moabieten bevangen; al de ingezetenen van Kanaän zullen versmelten! 16 Verschrikking en vrees zal op hen vallen; door de grootheid van Uw arm zullen zij verstommen, als een steen, totdat Uw volk, Heere! doorkomt; totdat dit volk doorkomt, dat Gij verworven hebt. 17 Die zult Gij inbrengen, en hen planten op de berg Uwer erfenis, ter plaatse, die Gij, o Heere! gemaakt hebt tot Uw woning, het heiligdom, dat Uw handen gesticht hebben, o Heere! 18 De Heere zal in eeuwigheid en gedurig regeren! 19 Want Faraö’s paard, met zijn wagen, met zijn ruiters, zijn in de zee gekomen, en de Heere heeft de wateren der zee over hen doen weerkeren; maar de kinderen Israëls zijn op het droge in het midden van de zee gegaan. 20 En Mirjam, de profetes, Aärons zuster, nam een trommel in haar hand; en al de vrouwen gingen uit, haar na, met trommels en met reien. 21 Toen antwoordde Mirjam hun: Zingt de Heere; want Hij is hoog verheven! Hij heeft het paard met zijn ruiter in de zee gestort! 22 Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water.

 

2e lezing Openbaring van Johannes 12: 1-6

1 En er werd een groot teken gezien in de hemel; namelijk een vrouw, bekleed met de zon; en de maan was onder haar voeten, en op haar hoofd een kroon van twaalf sterren; 2 En zij was zwanger, en riep, barensnood hebbende, en zijnde in pijn om te baren. 3 En er werd een ander teken gezien in de hemel; en ziet, er was een grote rode draak, hebbende zeven hoofden, en tien hoornen, en op zijn hoofden zeven koninklijke hoeden. 4 En zijn staart trok het derde deel der sterren van de hemel, en wierp die op de aarde. En de draak stond voor de vrouw, die baren zou, opdat hij haar kind zou verslinden, wanneer zij het zou gebaard hebben. 5 En zij baarde een mannelijke zoon, die al de heidenen zou hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en Zijn troon. 6 En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij een plaats had, haar door God bereid, opdat zij haar aldaar zouden voeden duizend tweehonderd zestig dagen.

 

261 Woestijnreis 3

 

Dienst beluisteren

Orde van de dienst

In een serie van 7 diensten wordt stil gestaan bij de tijd na Pasen. Vanuit het Oude Testament.
Het volk Israël na Pasen, na Egypte
Aan de hand van 7 tekenen.
Deze vierde dienst is in een vervolg van het teken van geen water, Mara, het hout

 

Schriftlezingen:

Sionskerk epe

1e lezing Handelingen der Apostelen 2: 37-47

37 En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen mannen broeders? 38 En Petrus zeide tot hen: Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus, tot vergeving der zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen. 39 Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal. 40 En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht! 41 Die dan zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drie duizend zielen. 42 En zij waren volhardende in de leer der apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden. 43 En een vreze kwam over alle ziel; en vele wonderen en tekenen geschiedden door de apostelen. 44 En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeen; 45 En zij verkochten hun goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van node had. 46 En dagelijks eendrachtelijk in den tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten; 47 En prezen God, en hadden genade bij het ganse volk. En de Heere deed dagelijks tot de Gemeente, die zalig werden.

 

2e lezing Exodus 15: 23-26 is de tekst voor de verkondiging, een vervolg van vorige week

23 Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd derzelver naam genoemd Mara. 24 Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken? 25 Hij dan riep tot den HEERE; en de HEERE wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Aldaar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en aldaar verzocht Hij hetzelve, 26 En zeide: Is het, dat gij met ernst naar de stem des HEEREN uws Gods horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de HEERE, uw Heelmeester!

 

 

Woestijnreis 4

 

Dienst beluisteren

Orde van dienst

In een serie van 7 diensten wordt stil gestaan bij de tijd na Pasen. Vanuit het Oude Testament.
Het volk Israël na Pasen, na Egypte
Aan de hand van 7 tekenen.
Deze vijfde dienst is in het teken van Elim

 

Schriftlezingen:Sionskerk epe

 

1e lezing Exodus 15: 22-27

22 Hierna deed Mozes de Israëlieten voortreizen van de Schelfzee af; en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden geen water. 23 Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want het was bitter; daarom werd de naam ervan genoemd Mara. 24 Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken? 25 Hij dan riep tot de Heere; en de Heere wees hem een hout, dat wierp hij in dat water; toen werd het water zoet. Aldaar stelde Hij het volk een inzetting en recht, en aldaar beproefde Hij het, 26 En zeide: Is het, dat gij met ernst naar de stem van de Heere uw God horen zult, en doen, wat recht is in Zijn ogen, en uw oren neigt tot Zijn geboden, en houdt al Zijn inzettingen; zo zal Ik geen van de krankheden op u leggen, die Ik op Egypteland gelegd heb; want Ik ben de Heere, uw Heelmeester! 27 Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen, en zeventig palmbomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.

 

2e lezing Openbaring van Johannes 21: 1-8

1 En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde; want de eerste hemel, en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer. 2 En ik, Johannes, zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, neerdalende van God uit de hemel, toebereid als een bruid, die voor haar man versierd is. 3 En ik hoorde een grote stem uit de hemel, zeggende: Ziet, de tabernakel Gods is bij de mensen, en Hij zal bij hen wonen, en zij zullen Zijn volk zijn, en God Zelf zal bij hen en hun God zijn. 4 En God zal alle tranen van hun ogen afwissen; en de dood zal niet meer zijn; noch rouw, noch gekrijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan. 5 En Die op de troon zat, zeide: Ziet, Ik maak alle dingen nieuw. En Hij zeide tot mij: Schrijf, want deze woorden zijn waarachtig en getrouw. 6 En Hij sprak tot mij: Het is geschied. Ik ben de Alfa en de Oméga, het Begin en het Einde. Ik zal de dorstige geven uit de fontein van het water des levens om niet. 7 Die overwint, zal alles beërven; en Ik zal hem een God zijn, en hij zal Mij een zoon zijn. 8 Maar de vreesachtigen, en ongelovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en tovenaars, en afgodendienaars, en al de leugenaars, hun deel is in de poel, die daar brandt van vuur en sulfer; hetwelk is de tweede dood.

 

Woestijnreis V

 

Dienst beluisteren

Orde van de dienst

In een serie van 7 diensten wordt stil gestaan bij de tijd na Pasen.
Vanuit het Oude Testament.
Het volk Israël na Pasen, na Egypte.
Aan de hand van 7 tekenen.
Deze zesde dienst is in het teken van “Manna”.

 

In deze dienst is het Heilig Avondmaal gevierd en aansluitend hoort u de avonddienst met Dankzegging.

 

Schriftlezing: Exodus 16: 1-15Sionskerk epe

1 Toen zij van Elim gereisd waren, zo kwam de ganse vergadering der kinderen Israëls in de woestijn Sin, die is tussen Elim en tussen Sinaï, op de vijftiende dag van de tweede maand, nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren. 2 En de ganse vergadering der kinderen Israëls murmureerde tegen Mozes en tegen Aäron, in de woestijn. 3 En de kinderen Israëls zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des Heeren, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gij hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze ganse gemeente door de honger te doden. 4 Toen zeide de Heere tot Mozes: Zie, Ik zal voor u brood uit de hemel regenen; en het volk zal uitgaan, en verzamelen elke dagmaat op haar dag; opdat Ik het beproeve, of het in Mijn wet zal gaan of niet. 5 En het zal geschieden op de zesde dag, dat zij bereiden zullen wat zij ingebracht zullen hebben; dat zal dubbel zijn boven hetgeen zij dagelijks zullen verzamelen. 6 Toen zeiden Mozes en Aäron tot al de kinderen Israëls: Aan de avond, dan zult gij weten, dat de Heere u uit Egypteland uitgeleid heeft; 7 En morgen, dan zult gij de heerlijkheid des Heeren zien, omdat Hij uw murmureringen tegen de Heere gehoord heeft; want wat zijn wij, dat gij tegen ons murmureert? 8 Voorts zeide Mozes: Als de Heere u aan de avond vlees te eten zal geven, en aan de morgen brood tot verzadiging, het zal zijn, omdat de Heere uw murmureringen gehoord heeft, die gij tegen Hem murmureert; want wat zijn wij? Uw murmureringen zijn niet tegen ons, maar tegen de Heere. 9 Daarna zeide Mozes tot Aäron: Zeg tot de ganse vergadering van de kinderen Israëls: Nadert voor het aangezicht des Heeren, want Hij heeft uw murmureringen gehoord. 10 En het geschiedde, toen Aäron tot de ganse vergadering van de kinderen Israëls sprak, en zij zich naar de woestijn keerden, zo ziet, de heerlijkheid des Heeren verscheen in de wolk. 11 Ook heeft de Heere tot Mozes gesproken, zeggende: 12 Ik heb de murmureringen van de kinderen Israëls gehoord; spreek tot hen, zeggende: Tussen de twee avonden zult gij vlees eten, en aan de morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten, dat Ik de Heere uw God ben. 13 En het geschiedde aan de avond, dat er kwakkels opkwamen, en het leger bedekten; en aan de morgen lag de dauw rondom het leger. 14 Toen nu de liggende dauw opgevaren was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde. 15 Toen de kinderen Israëls het zagen, zo zeiden zij, de een tot de ander: Het is Man, want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood, dat de Heere u te eten gegeven heeft.

 

Woestijnreis 6

 

Dienst beluisteren

 

Orde van de dienst

In een serie van 7 diensten wordt stil gestaan bij de tijd na Pasen.
Vanuit het Oude Testament.
Het volk Israël na Pasen, na Egypte
Aan de hand van 7 tekenen.
Deze zevende dienst is in het teken van “Is de Here in ons midden of niet? Massa en Meriba”

 

Schriftlezingen:Sionskerk epe

 

1e lezing Exodus 17: 1-6

1 Daarna trok de ganse vergadering van de kinderen Israëls, naar hun dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des Heeren, en zij legerden zich te Rafidîm. Daar nu was geen water voor het volk om te drinken. 2 Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gij ons water, dat wij drinken! Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij de Heere? 3 Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij, en mijn kinderen, en mijn vee, van dorst deed sterven? 4 Zo riep Mozes tot de Heere, zeggende: Wat zal ik dit volk doen? Er ontbreekt niet veel aan, of zij zullen mij stenigen. 5 Toen zeide de Heere tot Mozes: Ga heen voor het aangezicht van het volk, en neem met u uit de oudsten van Israël; en neem uw staf in uw hand, waarmee gij de rivier sloegt, en ga heen. 6 Zie, Ik zal aldaar voor uw aangezicht op de rotssteen in Horeb staan; en gij zult op de rotssteen slaan, zo zal er water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzo voor de ogen van de oudsten van Israël.

 

2e lezing: Johannes 7: 37-43

37 En op de laatste dag, zijnde de grote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zo iemand dorst, die kome tot Mij en drinke. 38 Die in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn buik vloeien. 39 (En dit zeide Hij van de Geest, Die ontvangen zouden, die in Hem geloven; want de Heilige Geest was nog niet, aangezien Jezusnog niet verheerlijkt was.) 40 Velen dan uit de schare, deze rede horende, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet. 41 Anderen zeiden: Deze is de Christus. En anderen zeiden: Zal dan de Christus uit Galiléa komen? 42 Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit het zaad van David, en van het vlek Bethlehem, waar David was? 43 Er werd dan tweedracht onder de schare, om Zijnentwil.

 

Woestijnreis 7

Dienst beluisteren

Orde van de dienst

Op cassettebandje staat Woestijnreis nr.8

 

Schriftlezingen:

 

Sionskerk epe

1e lezing Exodus 17: 8-16

8 Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidîm. 9 Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trek uit, strijd tegen Amalek; morgen zal ik op de hoogte van de heuvel staan, en de staf Gods zal in mijn hand zijn. 10 Jozua nu deed, zoals Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aäron en Hur klommen op de hoogte van de heuvel. 11 En het geschiedde, terwijl Mozes zijn hand ophief, zo was Israël de sterkste; maar terwijl hij zijn hand neerliet, zo was Amalek de sterkste. 12 Doch de handen van Mozes werden zwaar; daarom namen zij een steen, en legden die onder hem, dat hij daarop zat; en Aäron en Hur onderstutten zijn handen, de een op deze, de ander op de andere zijde; alzo waren zijn handen vast totdat de zon onderging. 13 Alzo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte, door de scherpte des zwaards. 14 Toen zeide de Heere tot Mozes: Schrijf dit ter gedachtenis in een boek, en leg het in de oren van Jozua, dat Ik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder de hemel. 15 En Mozes bouwde een altaar; en hij noemde zijn naam: De Heere is mijn Banier! 16 En hij zeide: Omdat de hand op de troon des Heeren is, zo zal de oorlog des Heeren tegen Amalek zijn, van geslacht tot geslacht!

 

2e lezing Galaten 5: 16-26

 

16 En ik zeg: Wandelt door de Geest en volbrengt de begeerlijkheid van het vlees niet. 17 Want het vlees begeert tegen de Geest, en de Geest tegen het vlees; en deze staan tegen elkander, alzo dat gij niet doet, wat gij wildet. 18 Maar indien gij door de Geest geleid wordt, zo zijt gij niet onder de wet. 19 De werken van het vlees nu zijn openbaar; welke zijn overspel, hoererij, onreinheid, ontuchtigheid, 20 Afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen, 21 Nijd, moord, dronkenschappen, brasserijen, en dergelijke; van welke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb, dat die zulke dingen doen, het Koninkrijk Gods niet zullen beërven. 22 Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid, matigheid. 23 Tegen de zodanigen is de wet niet. 24 Maar die van Christus zijn, hebben het vlees gekruisigd met de bewegingen en begeerlijkheden. 25 Indien wij door de Geest leven, zo laat ons ook door de Geest wandelen. 26 Laat ons niet zijn zoekers van ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende.

 

De geluidskwaliteit van de opname is beduidend minder.

 

Woestijnreis 8

 

Dienst beluisteren

Orde van de dienst

Op het cassettebandje staat Woestijnreis nr. 9

 

Schriftlezingen:

 

Sionskerk epe

1e lezing Exodus 19: 20-20: 21

20 Toen de Heere neergekomen was op de berg Sinaï, op de spits van de berg, zo riep de Heere Mozes op de spits van de berg; en Mozes klom op. 21 En de Heere zeide tot Mozes: Ga af, betuig dit volk, dat zij niet doorbreken tot de Heere, om te zien, en velen van hen vallen. 22 Daartoe zullen ook de priesters, die tot de Heere naderen, zich heiligen, dat de Heere niet tegen hen uitbreke. 23 Toen zeide Mozes tot de Heere: Het volk zal op de berg Sinaï niet kunnen klimmen, want Gij hebt ons betuigd, zeggende: Paal de berg af, en heilig hem. 24 De Heere dan zeide tot hem: Ga heen, klim af, daarna zult gij, en Aäron met u, opklimmen; doch dat de priesters en het volk niet doorbreken, om op te klimmen tot de Heere, dat Hij tegen hen niet uitbreke. 25 Toen klom Mozes af tot het volk, en zeide het hun aan.

 

Exodus 20

1Toen sprak God al deze woorden, zeggende: 2 Ik ben de Heere uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb. 3 Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. 4 Gij zult u geen gesneden beeld, noch enige gelijkenis maken, van wat boven in de hemel is, noch van wat onder op de aarde is, noch van wat in de wateren onder de aarde is. 5 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen; want Ik, de Heere uw God, ben een naijverig God, Die de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde, en aan het vierde geslacht van hen, die Mij haten; 6 En doe barmhartigheid aan duizenden van hen, die Mij liefhebben, en Mijn geboden onderhouden. 7 Gij zult de Naam van de Heere uw God niet ijdel gebruiken; want de Heere zal niet onschuldig houden, die Zijn Naam ijdel gebruikt. 8 Gedenkt de sabbatdag, dat gij die heiligt. 9 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; 10 Maar de zevende dag is de sabbat van de Heere uw God; dan zult gij geen werk doen, gij, noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uw poortenis; 11 Want in zes dagen heeft de Heere de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte ten zevenden dage; daarom zegende de Heere de sabbatdag, en heiligde die. 12 Eert uw vader en uw moeder, opdat uw dagen verlengd worden in het land, dat u de Heere uw God geeft. 13 Gij zult niet doodslaan. 14 Gij zult niet echtbreken. 15 Gij zult niet stelen. 16 Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. 17 Gij zult niet begeren het huis van uw naaste; gij zult niet begeren de vrouw van uw naaste; noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn os, noch zijn ezel, noch iets, dat van uw naaste is. 18 En al het volk zag de donderen, en de bliksemen, en het geluid van de bazuin, en de rokende berg; toen het volk dat zag, weken zij af, en stonden van verre. 19 En zij zeiden tot Mozes: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven! 20 En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen, opdat Hij u beproefde, en opdat Zijn vreze voor uw aangezicht zou zijn, dat gij niet zondigdet. 21 En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid, alwaar God was.

 

2e lezing Hebreeën 12: 18-29

18 Want gij zijt niet gekomen tot de tastbare berg, en het brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder, 19 En tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden; welke die ze hoorden, baden, dat het woord tot hen niet meer zou gericht worden. 20 (Want zij konden niet dragen, hetgeen er geboden werd: Indien ook een gedierte de berg aanraakt, het zal gestenigd of met een pijldoorschoten worden. 21 En Mozes, zo vreselijk was het gezicht, zeide: Ik ben gans bevreesd en bevende). 22 Maar gij zijt gekomen tot de berg Sion, en de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, en de vele duizenden der engelen; 23 Tot de algemene vergadering en de Gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God, de Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen; 24 En tot de Middelaar van het nieuwe testament, Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel. 25 Ziet toe, dat gij Hem, Die spreekt, niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden, die hem verwierpen, die op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veelmeer zullenwij niet ontvlieden, zo wij ons van Hem afkeren, Die van de hemelen is; 26 Wiens stem toen de aarde bewoog; maar nu heeft Hij verkondigd, zeggende: Nog eenmaal zal Ik bewegen niet alleen de aarde, maar ook de hemel. 27 En dit woord: Nog eenmaal, wijst aan de verandering der bewegelijke dingen, als welke gemaakt waren, opdat blijven zouden de dingen, die niet bewegelijk zijn. 28 Daarom, alzo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, laat ons de genadevasthouden, waardoor wij welbehagelijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid. 29 Want onze God is een verterend vuur.

 

De kwaliteit van deze opname kan als storend worden ervaren

 

woestijnreis 9

 

Dienst beluisteren

Orde van dienst

Schriftlezingen:Sionskerk epe

 

1e lezing Exodus 24: 1-8

1 Daarna zeide Hij tot Mozes: Klim op tot de Heere, gij en Aäron, Nadab en Abíhu, en zeventig van de oudsten van Israël; en buigt u neer van verre! 2 En dat Mozes alleen nadere tot de Heere, maar dat zij niet naderen; en het volk klimme ook niet op met hem. 3 Toen Mozes kwam en al de woorden des Heeren, en al de rechten aan het volk verhaalde, toen antwoordde al het volk met één stem, en zij zeiden: Al deze woorden, die de Heere gesproken heeft, zullen wij doen. 4 Mozes nu beschreef al de woorden des Heeren, en hij maakte zich des morgens vroeg op, en hij bouwde een altaar onder aan de berg, en twaalf kolommen, naar de twaalf stammen van Israël. 5 En hij zond de jongelingen van de kinderen Israëls, die brandoffers offerden, en de Heere dankoffers offerden, van jonge ossen. 6 En Mozes nam de helft van het bloed, en zette het in bekkens; en de helft van het bloed sprengde hij op het altaar. 7 En hij nam het boek des verbonds, en hij las het voor de oren van het volk; en zij zeiden: Al wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen en gehoorzamen. 8 Toen nam Mozes dat bloed, en sprengde het op het volk; en hij zeide Ziet, dit is het bloed des verbonds, dat de Heere met u gemaakt heeft over al die woorden.

 

2e lezing: Hebreeën 9: 16-28

16 Want waar een testament is, daar is het noodzaak, dat de dood van de testamentmaker tussenbeide kome; 17 Want een testament is vast in de doden, daar het nog geen kracht heeft, wanneer de testamentmaker leeft. 18 Waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd. 19 Want als al de geboden, naar de wet van Mozes, tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed der kalveren en bokken, met water, en purperen wol, en hysop, besprengde beide het boek zelf, en al het volk, 20 Zeggende: Dit is het bloed van het testament, hetwelk God aan u heeft geboden. 21 En hij besprengde eveneens ook de tabernakel, en al de vaten van de dienst met het bloed. 22En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geen vergeving. 23 Zo was het dan noodzaak, dat wel de afbeeldingen der dingen, die in de hemelen zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelse dingen zelf door betere offeranden dan deze. 24 Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom, dat met handen gemaakt is, hetwelk is een tegenbeeld van het ware, maar in de hemel zelf, om nu te verschijnen voor het aangezicht van God voor ons; 25 Noch ook, opdat Hij Zichzelf dikwijls zou opofferen, gelijk de hogepriester elk jaar in het heiligdom ingaat met vreemd bloed; 26 (Anders had Hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging der wereld af) maar nu is Hij eenmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen, door de offerande van Zichzelf. 27 En gelijk het de mensen gezet is, eenmaal te sterven, en daarna het oordeel; 28 Alzo ook Christus, eenmaal geofferd zijnde, om veler zondenweg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden door hen, die Hem verwachten tot zaligheid.

 

Woestijnreis 10

 

Dienst beluisteren

 

Orde van de dienst