Eerste zondag van de herfst.
Schriftlezingen:
1e Lezing Genesis 39
1 Jozef was dus door de Ismaëlieten meegenomen naar Egypte, en daar was hij gekocht door Potifar, een vooraanstaand man die tot de hovelingen van de farao behoorde en het bevel voerde over zijn lijfwacht. 2 De HEER stond Jozef terzijde, zodat het hem goed ging. Hij mocht in het huis van zijn Egyptische meester werken. 3 Omdat zijn meester zag dat de HEER Jozef terzijde stond en alles wat hij ter hand nam voorspoedig liet verlopen, 4 was hij Jozef goedgezind: hij maakte hem tot zijn persoonlijke bediende, liet de gang van zaken in huis aan hem over en gaf hem het beheer over alles wat hij bezat. 5 En vanaf het ogenblik dat hij hem belastte met het toezicht op zijn huis en zijn verdere bezittingen, zegende de HEER het huis van die Egyptenaar omwille van Jozef. De zegen van de HEER rustte op alles wat hij bezat, in huis en daarbuiten. 6 Daarom vertrouwde hij alles volledig aan Jozef toe; nu Jozef er was, bekommerde hij zich alleen nog om wat hij te eten kreeg. Jozef was knap en aantrekkelijk. 7 Na verloop van tijd liet de vrouw van zijn meester haar oog op hem vallen. ‘Kom bij me liggen,’ zei ze. 8 Maar dat weigerde hij. ‘Sinds ik hier ben,’ zei hij, ‘maakt mijn meester zich geen zorgen meer over wat dan ook hier in huis, en hij heeft mij het beheer gegeven over al zijn bezittingen. 9 Ik heb hier evenveel gezag als hij, en hij heeft mij niets onthouden behalve u, omdat u zijn vrouw bent. Hoe zou ik dan zo’n grote wandaad kunnen begaan en zo kunnen zondigen tegen God?’ 10 Dag in dag uit probeerde ze Jozef over te halen, maar hij gaf niet toe, hij wilde niet bij haar gaan liggen. 11 Maar op zekere dag, toen hij de binnenvertrekken in kwam om zijn werk te doen en daar niemand anders van de bedienden was, 12 greep ze hem bij zijn kleed. ‘Kom bij me liggen,’ drong ze aan, maar hij vluchtte naar buiten; zijn kleed liet hij bij haar achter. 13 Toen ze besefte dat hij gevlucht was en zijn kleed bij haar had gelaten, 14 riep ze haar bedienden en zei tegen hen: ‘Mooi is dat! Hij moest zo nodig een Hebreeër in huis halen – zeker om zich met ons te kunnen vermaken! Die man is mijn kamer binnengedrongen en wilde bij me komen liggen, maar ik begon hard te schreeuwen. 15 Toen hij dat hoorde, ging hij ervandoor en liet zijn kleed hier bij mij achter.’ 16 Ze liet het kleed naast zich liggen totdat Jozefs meester thuiskwam, 17 en vertelde hem hetzelfde verhaal: ‘Die Hebreeuwse slaaf die jij in huis hebt gehaald, is mijn kamer binnengedrongen om zich met me te vermaken. 18 En toen ik het op een schreeuwen zette, ging hij ervandoor en liet zijn kleed hier bij mij achter.’ 19 Toen Jozefs meester haar hoorde vertellen dat ze zo door zijn slaaf was behandeld, werd hij woedend. 20 Hij liet Jozef oppakken en in de gevangenis zetten die bestemd was voor de gevangenen van de koning. De dromen van schenker en bakker Zo kwam Jozef in de gevangenis terecht. 21 Maar de HEER stond hem terzijde en bewees hem zijn goedheid door ervoor te zorgen dat Jozef bij de gevangenbewaarder in de gunst kwam. 22 Jozef kreeg de leiding over alle gevangenen en hij hield toezicht op het werk dat ze deden. 23 De gevangenbewaarder had geen omkijken naar wat aan Jozef was toevertrouwd, omdat de HEER hem terzijde stond en alles wat Jozef ter hand nam voorspoedig liet verlopen.
2e Lezing Mattheüs 18: 1-10
1 Op dat moment kwamen de leerlingen Jezus vragen: ‘Wie is eigenlijk de grootste in het koninkrijk van de hemel?’ 2 Hij riep een kind bij zich, zette het in hun midden neer 3 en zei: ‘Ik verzeker jullie: als je niet verandert en wordt als een kind, dan zul je het koninkrijk van de hemel zeker niet binnengaan. 4 Wie zichzelf vernedert en wordt als dit kind, die is de grootste in het koninkrijk van de hemel. 5 En wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op. 6 Wie een van de geringen die in mij geloven van de goede weg afbrengt, die kan maar beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden en in de diepte verdrinken. 7 Wee de wereld met haar valstrikken. Het is onvermijdelijk dat er mensen ten val worden gebracht, maar wee de mens die de valstrik zet! 8 En als je hand of je voet je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af en werp hem weg: je kunt beter verminkt of kreupel het leven binnengaan dan in het bezit van twee handen of twee voeten in het eeuwigbrandend vuur geworpen worden. 9 Brengt je oog je op de verkeerde weg, ruk het dan uit en werp het weg: je kunt beter met één oog het leven binnengaan dan in het bezit van twee ogen in het vuur van de Gehenna geworpen worden. 10 Waak ervoor ook maar een van deze geringen te verachten. Want ik zeg jullie: hun engelen in de hemel aanschouwen onophoudelijk het gelaat van mijn hemelse Vader.
Schriftlezingen:
1e lezing Deuteronomium 4: 1-2, 9-20
1 Nu dan, Israël! hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden lere te doen; opdat gij leeft, en henen inkomt, en erft het land, dat de HEERE, uwer vaderen God, u geeft. 2 Gij zult tot dit woord, dat ik u gebiede, niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden van den HEERE, uw God, die ik u gebiede. 3 Uw ogen hebben gezien, wat God om Baäl-peor gedaan heeft; want alle man, die Baäl-peor navolgde, dien heeft de HEERE, uw God, uit het midden van u verdaan. 4 Gij daarentegen, die den HEERE, uw God, aanhingt, gij zijt heden allen levende. 5 Ziet, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de HEERE, mijn God, mij geboden heeft; opdat gij alzo doet in het midden des lands, waar gij naar toe gaat, om het te erven. 6 Behoudt ze dan, en doet ze; want dat zal uw wijsheid en uw verstand zijn voor de ogen der volken, die al deze inzettingen horen zullen, en zeggen: Dit grote volk alleen is een wijs en verstandig volk! 7 Want wat groot volk is er, hetwelk de goden zo nabij zijn als de HEERE, onze God, zo dikwijls als wij Hem aanroepen? 8 En wat groot volk is er, dat zo rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze ganse wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef? 9 Alleenlijk wacht u, en bewaart uw ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen, die uw ogen gezien hebben; en dat zij niet van uw hart wijken, al de dagen uws levens; en gij zult ze aan uw kinderen en uw kindskinderen bekend maken. 10 Ten dage, als gij voor het aangezicht des HEEREN, uws Gods, aan Horeb stondt, als de HEERE tot mij zeide: Vergader Mij dit volk, en Ik zal hun Mijn woorden doen horen, die zij zullen leren, om Mij te vrezen al de dagen, die zij op den aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hun kinderen leren; 11 En gijlieden naderdet en stondt beneden dien berg; (die berg nu brandde van vuur, tot aan het midden des hemels; er was duisternis, wolken en donkerheid). 12 Zo sprak de HEERE tot u uit het midden des vuurs; gij hoordet de stem der woorden; maar gij zaagt geen gelijkenis, behalve de stem. 13 Toen verkondigde Hij u Zijn verbond, dat Hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee stenen tafelen. 14 Ook gebood mij de HEERE ter zelver tijd, dat ik u inzettingen en rechten leren zou; opdat gij die deedt in dat land, naar hetwelk gij doortrekt, om dat te erven. 15 Wacht u dan wel voor uw zielen; want gij hebt geen gelijkenis gezien, ten dage als de HEERE op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak; 16 Opdat gij u niet verderft, en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van enig beeld, de gedaante van man of vrouw, 17 De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt; 18 De gedaante van iets, dat op den aardbodem kruipt; de gedaante van enigen vis, die in het water is onder de aarde; 19 Dat gij ook uw ogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon, en de maan, en de sterren, des hemels ganse heir; en wordt aangedreven, dat gij u voor die buigt, en hen dient; dewelke de HEERE, uw God, aan alle volken onder den gansen hemel heeft uitgedeeld. 20 Maar ulieden heeft de HEERE aangenomen, en uit den ijzeroven, uit Egypte, uitgevoerd; opdat gij Hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te dezen dage is.
2e lezing Markus 8: 27 – 9: 1
27 En Jezus ging uit en Zijn discipelen naar de vlekken van Cesarea Filippi. En op den weg vraagde Hij Zijn discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de mensen, dat Ik ben? 28 En zij antwoordden: Johannes de Doper; en anderen: Elias; en anderen: Een van de profeten. 29 En Hij zeide tot hen: Maar gijlieden, wie zegt gij dat Ik ben? En Petrus, antwoordende, zeide tot Hem: Gij zijt de Christus. 30 En Hij gebood hun scherpelijk, dat zij het niemand zouden zeggen van Hem. 31 En Hij begon hun te leren, dat de Zoon des mensen veel moest lijden, en verworpen worden van de ouderlingen, en overpriesters, en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen wederom opstaan. 32 En dit woord sprak Hij vrij uit; en Petrus, Hem tot zich genomen hebbende, begon Hem te bestraffen; 33 Maar Hij, Zich omkerende, en Zijn discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: Ga heen, achter Mij, satanas, want gij verzint niet de dingen, die Gods zijn, maar die der mensen zijn. 34 En tot Zich geroepen hebbende de schare met Zijn discipelen, zeide Hij tot hen: Zo wie achter Mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op, en volge Mij. 35 Want zo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zo wie zijn leven zal verliezen, om Mijnentwil, en om des Evangelies wil, die zal hetzelve behouden. 36 Want wat zou het den mens baten zo hij de gehele wereld won, en zijner ziele schade leed? 37 Of wat zal een mens geven, tot lossing van zijn ziel? 38 Want zo wie zich Mijns en Mijner woorden zal geschaamd hebben, in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal Zich de Zoon des mensen ook schamen, wanneer Hij zal komen in de heerlijkheid Zijns Vaders, met de heilige engelen.
Markus 9: 1 En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk Gods met kracht gekomen is.
Schriftlezingen:
1e lezing Numeri 11: 16-35
16 Dan zegt de Ene tot Mozes: verzamel voor mij zeventig man uit Israëls oudsten, van wie je weet dat zij oudsten van de gemeente zijn en mensen met overzicht daarin; meenemen moet je die naar de tent van samenkomst, en dáár posteren, met jou. 17 Nederdalen zal ik en spreken met jou, dáár; terzijde leggen zal ik van de geestesadem die over jou is en leggen op hen; ze zullen náást jou meedragen aan de last van de gemeente,- niet langer draag jíj die op je eentje. 18 En tot de gemeente zul je zeggen: heiligt u voor morgen, ge zult vléés eten; want ge hebt geweeklaagd in de oren van de Ene, door te zeggen: ‘wíe zal ons vlees doen eten, want wat hadden we het in Egypte goed!’ Geven zal de Ene u: vlees, en éten zult ge! 19 Niet slechts één dag zult ge het eten en niet een páár dagen; niet vijf dagen, niet tien dagen, niet twintigmaal een dag, maar 20 tot de dagen een máánd vormen, tot het je de neusgaten uitkomt en het voor u om te kotsen zal wezen!- en wel hierom dat ge veracht hebt de Ene die in uw midden is, en voor zijn aanschijn weeklaagt door te zeggen: ‘waarom zijn we eigenlijk weggetrokken uit Egypte?’ 21 Dan zegt hij, Mozes: zeshonderdduizend te voet telt de gemeente in wiens midden ik sta; en gij hebt gezegd ‘vlees zal ik hun geven en eten zullen ze de dagen van een maand’; 22 het wolvee en het rundvee moet voor hen worden afgeslacht wil het voor hen toereikend zijn; als alle vissen van de zee voor hen worden verzameld zal het toereikend zijn voor hen! • 23 Dan zegt de Ene tot Mozes: zal de hand van de Ene te kort wezen? Nu zul je het zien of mijn spreken tot jou uitkomt of niet! 24 Mozes gaat naar buiten en spreekt tot de gemeente de woorden van de Ene; hij verzamelt zeventig man uit de oudsten van de gemeente en stelt ze op rondom de tent. 25 De Ene daalt neer in de wolk en spreekt tot hem; hij legt van de Geest die op hem is terzijde en geeft die over de zeventig man van de oudsten; en het geschiedt: zodra de Geest op hen rust profeteren zij, maar hebben (daaraan) niet toegevoegd. 26 Twee mannen zijn er óver in de legerplaats; de naam van de een is Eldad; de naam van de tweede is Medad, en op hen rust de Geest; zij horen bij de ingeschrevenen maar zijn niet mee uitgetrokken naar de tent; ze profeteren in de legerplaats. 27 De jongen rent weg, meldt het aan Mozes en zegt: Eldad en Medad zijn in de legerplaats aan het profeteren! 28 Dan antwoordt Jozua, zoon van Noen, de helper van Mozes, een van zijn eerstelingen, en zegt: mijn heer Mozes, houd ze tegen! 29 Maar Mozes zegt tot hem: moet jij jaloers zijn ten behoeve van mij?- wie zal me dat geven: héél de gemeente van de Ene profeten, omdat de Ene zijn Geest over hen geeft! 30 Dan verzamelt Mozes zich in de legerplaats, hij met Israëls oudsten. 31 De geestesstorm is opgebroken van bij de Ene, en voert kwakkels mee van de zee en gooit ze over de legerplaats, bijna een dagreis ver híerheen en bijna een dagreis ver dáárheen rondom de legerplaats; en zo’n dubbel-el dik over het aanschijn van het land. 32 Nu staat de gemeente op: heel die dag, heel de nacht en heel de volgende dag verzamelen ze de kwakkels,- wie het minste had verzamelde al tien mudden; ze spreiden ze uitgebreid uit rondom de legerplaats. 33 Terwijl het vlees nog tussen hun tanden zit, nog niet eens fijngekauwd, ontsteekt de woede van de Ene tegen de gemeente en slaat de Ene de gemeente met een zeer geweldige slag. 34 Hij roept als naam uit voor dat oord: Kivrot Hataäva,- graven van de gulzigheid; want daar hebben ze begraven de gemeente van de gulzigaards! 35 Van Kivrot Hataäva zijn ze opgebroken, de gemeente, naar Chatserot; dan zijn ze in Chatserot.
Uit het Evangelie 2e lezing Markus 9: 15-29
15 En heel de schare,- meteen als ze hem zien zijn ze helemaal verbaasd; toehollend hebben ze hem begroet. 16 En hij stelt hun de vraag: waarover zijt ge samen met hen aan het zoeken? 17 Eén uit de schare antwoordt hem: leermeester, ik bracht mijn zoon naar u toe die een geest heeft die maakt dat hij niet praat; 18 wanneer die hem in bezit neemt, waar dan ook, verscheurt hij hem, en híj schuimbekt en knarst met de tanden en verschrompelt; ik zei tot uw leerlingen dat ze hem moesten uitwerpen, en ze waren niet sterk genoeg! 19 Ten antwoord zegt hij tot hen: o generatie zonder geloof, tot wanneer moet ik bij u zijn, tot wanneer moet ik het met u uithouden?- brengt hem bij mij! 20 Zij brengen hem bij hem. Meteen als de geest hem ziet laat hij hem stuiptrekken; hij valt op de grond en is schuimbekkend heen en weer gaan rollen. 21 Hij vraagt aan zijn vader: hoe lange tijd is het al dat dit zó aan hem geschied is? En hij zegt: van kindsbeen af!, 22 en veelvuldig ook heeft hij hem én in vuur geworpen én in wateren, om hem om te brengen; nee, als u iets bij machte bent, help ons dan, wees over ons bewogen! 23 Maar Jezus zegt tot hem: over dat ‘als u bij machte bent’,- alles is mogelijk voor wie gelooft! 24 Meteen heeft de vader van het jongetje met een schreeuw gezegd: ik gelóóf!- help mij in mijn ongeloof! 25 Maar Jezus ziet dat er (al) een schare te hoop loopt en bestraft de onreine geest door tot hem te zeggen: jij geest van niet-kunnen-praten en doofheid, ík draag jóu op: kom uit hem vandaan en kom niet meer bij hem binnen! 26 En schreeuwend en veelvuldig stuiptrekkend komt hij naar buiten, en hij wordt als een dode, zodat velen zeggen ‘hij is gestorven!’ 27 Maar Jezus grijpt zijn hand vast en wekt hem op, en hij staat op. 28 Hij komt een huis binnen en in afzondering hebben zijn leerlingen hem gevraagd: dat wij niet bij machte zijn geweest hem uit te werpen! 29 Hij zegt tot hen: dit soort is door niets bij machte naar buiten te komen, behalve door gebed!
Deze dienst is geluidstechnisch zo goed mogelijk geoptimaliseerd.
Schriftlezing:
Van deze dienst is alleen het tekstfragment bekend.
Lukas 2: 40 vanuit de Naardense Bijbel
Maar het jongetje is opgegroeid en krachtig geworden,- vervuld van wijsheid: Gods genade is over hem geweest.
Achtste zondag van de zomer
Schriftlezingen:
1e lezing Jesaja 65: 17-25
17 Zie, ik schep een nieuwe hemel en een nieuwe aarde. Wat er vroeger was raakt in vergetelheid, het komt niemand ooit nog voor de geest. 18 Er zal alleen maar blijdschap zijn en groot gejuich om wat ik schep. Ik herschep Jeruzalem in een jubelende stad en schenk haar bevolking vreugde. 19 Dan zal ik over Jeruzalem jubelen en mij verblijden over mijn volk. Geen geween of geweeklaag wordt daar nog gehoord. 20 Geen zuigeling zal daar meer zijn die slechts enkele dagen leeft, geen grijsaard die zijn jaren niet voltooit; want een kind zal pas sterven als honderdjarige, en wie geen honderd wordt, geldt als vervloekt. 21 Zij zullen huizen bouwen en er zelf in wonen, wijngaarden planten en zelf van de opbrengst eten; 22 in wat zij bouwen zal geen ander wonen, van wat zij planten zal geen ander eten. Want de jaren van mijn volk zullen zijn als de jaren van een boom; mijn uitverkorenen zullen zelf genieten van het werk van hun handen. 23 Zij zullen zich niet tevergeefs afmatten en geen kinderen baren voor een verschrikkelijk lot. Zij zullen, met heel hun nageslacht, een volk zijn dat door de HEER is gezegend. 24 Ik zal hun antwoorden nog voor ze mij roepen, ik zal hen verhoren terwijl ze nog spreken. 25 Wolf en lam zullen samen weiden, een leeuw en een rund eten beide stro en een slang zal zich voeden met stof. Niemand doet kwaad, niemand sticht onheil op heel mijn heilige berg – zegt de HEER.
2e lezing Lukas 12: 32-40
32 Vrees niet, kleine kudde, want jullie Vader heeft jullie het koninkrijk willen schenken. 33 Verkoop je bezittingen en geef aalmoezen. Maak voor jezelf een geldbuidel die niet verslijt, een schat in de hemel die niet opraakt, waar een dief niet bij kan en die door geen mot kan worden aangevreten. 34 Waar jullie schat is, daar zal ook jullie hart zijn. 35 Sta klaar, doe je gordel om en houd de lampen brandend, 36 en wees als knechten die hun heer opwachten wanneer hij terugkeert van een bruiloft, zodat ze direct voor hem opendoen wanneer hij aanklopt. 37 Gelukkig de knechten die de heer bij zijn komst wakend aantreft. Ik verzeker jullie: hij zal zijn gordel omdoen, hen aan tafel nodigen en hen bedienen. 38 Gelukkig degenen die hij zo aantreft, ook al komt hij midden in de nacht of kort voor het aanbreken van de dag. 39 Besef wel: als de heer des huizes had geweten op welk uur de dief zou komen, dan zou hij niet in zijn huis hebben laten inbreken. 40 Ook jullie moeten klaarstaan, want de Mensenzoon komt op een tijdstip waarop je het niet verwacht.’
Schriftlezingen:
1e lezing Exodus 6: 1-7
1 Dan zegt de Ene tot Mozes: nú zul je zien wat ik aan Farao ga doen; want door een sterke hand zendt hij hen heen, door een sterke hand jáágt hij ze weg van zijn land!
2 Dan richt God zijn woord tot Mozes en zegt tot hem: ik ben de Ene;
3 ik heb mij laten zien aan Abraham, aan Isaak en aan Jakob als God-de-Machtige; mijn naam ‘Ene’ heb ik aan hen niet bekendgemaakt;
4 maar wél heb ik opgericht een verbond van mij met hen om hun het land van Kanaän te geven; het land van hun omzwervingen, waarin zij zwervers-te-gast zijn geweest!-
5 en óók ben ik het die heeft gehoord het kermen van de zonen Israëls nu de Egyptenaren hen laten sloven, en ik gedenk mijn verbond!-
6 daarom, zeg tot de zonen Israëls: ‘ik, de Ene,- uitleiden zal ik u, onder Egyptes lasten vandaan,- ontrukken zal ik u aan hun slavernij; loskopen zal ik u met uitgestrekte arm en grote gerichten;
7 nemen zal ik u mij tot gemeente, wezen zal ik u tot God; weten zult ge dat ik de Ene uw God ben die u heeft uitgeleid onder Egyptes lasten vandaan;
2e lezing Lukas 13: 1-9
1 Maar: zomaar enkelen zijn bij hem in datzelfde moment en doen hem kond over de Galileeërs wier bloed Pilatus heeft vermengd met dat van hun offerdieren.
2 En ten antwoord zegt hij tot hen: denkt ge dat deze Galileeërs grotere zondaars zijn geweest dan ál de Galileeërs, dat ze dit alles hebben moeten lijden?-
3 nee!, zeg ik u; maar als gij u niet bekeert zult ge allen evenzo omkomen;
4 of die achttien, op wie de toren bij de Siloam viel en hen doodde,- denkt ge dat zij schuldiger zijn geweest dan álle mensen die in Jeruzalem wonen?-
5 nee!, zeg ik u, maar als gij u niet bekeert zult ge allen evenzo omkomen!
6 Maar hij heeft dit zinnebeeld uitgesproken: zomaar iemand had een vijgenboom geplant staan in zijn wijngaard; als hij komt om vrucht bij haar te zoeken vindt hij die niet;
7 maar dan zegt hij tot de wijngaardenier: zie, drie jaren sinds ik kom om vrucht te zoeken bij deze vijgenboom, en ik vind die niet; hak haar weg,- waarom ook put ze de aarde uit?-
8 maar ten antwoord zegt hij tot hem: heer, láát haar ook dit jaar nog; ik zal eerst om haar heen graven en er mest bij werpen,
9 en als ze dan in het eerstvolgende vrucht draagt… en zoniet, dan moet je haar weghakken!
Zondag Jubilate.
Schriftlezingen:
hier weergegeven vanuit de Nieuwe bijbelvertaling
1e lezing Ezechiël 34: 20-28
20 Daarom – dit zegt God, de HEER, over jullie: Ik zal rechtspreken tussen de vette en de magere schapen. 21 Jullie dringen alle zwakke dieren met je flank en schouder weg, jullie stoten ze met je horens om ze te verjagen, 22 en daarom zal ik mijn schapen te hulp komen; ze zullen niet langer worden weggeroofd. Ik zal rechtspreken tussen de schapen. 23 Ik zal een andere herder over ze aanstellen, een die ze wél zal weiden: David, mijn dienaar. Hij zal ze weiden, hij zal hun herder zijn. 24 Ik, de HEER, zal hun God zijn, en mijn dienaar David hun vorst. Ik, de HEER, heb gesproken. 25 Ik zal een vredesverbond met ze sluiten, ik zal het land vrij van wilde dieren maken, zodat ze zelfs in de woestijn veilig kunnen wonen en in de bossen onbezorgd kunnen slapen. 26 Ik zal mijn schapen en het land rondom mijn heuvel zegenen, en ik zal de regen op gezette tijden doen neerdalen. Het zal regen zijn die zegen geeft. 27 De bomen zullen vrucht dragen, de akkers zullen een goede opbrengst geven en zij zullen veilig leven in hun land. Ze zullen beseffen dat ik de HEER ben wanneer ik het juk breek waaronder ze gebukt gaan, en ze uit handen van hun onderdrukkers red. 28 Ze zullen niet meer door andere volken worden geplunderd en niet meer worden verslonden door de wilde dieren, ze zullen veilig wonen en niemand zal ze nog opschrikken.
2e lezing Openbaring van Johannes 6
1 Toen zag ik dit: het lam verbrak een van de zeven zegels en ik hoorde een van de vier wezens roepen met een geluid als een donderslag: ‘Kom!’ 2 Ik zag dit: een wit paard met een ruiter, die een boog droeg. Hij kreeg een zegekrans en trok op als een overwinnaar, de overwinning tegemoet. 3 Toen het lam het tweede zegel verbrak, hoorde ik het tweede wezen zeggen: ‘Kom!’ 4 Er verscheen een ander, vuurrood paard. De ruiter kreeg de opdracht om de vrede uit de wereld te verdrijven, zodat men elkaar zou afslachten. Hij kreeg een groot zwaard. 5 Toen het derde zegel werd verbroken, hoorde ik het derde wezen zeggen: ‘Kom!’ Ik zag dit: een zwart paard met een ruiter, die een weegschaal in zijn hand hield. 6 Te midden van de vier wezens hoorde ik iets als een stem zeggen: ‘Een dagloon voor een portie tarwe en hetzelfde bedrag voor drie porties gerst. Maar laat wijn en olijfolie ongemoeid.’ 7 Toen het vierde zegel werd verbroken, hoorde ik het vierde wezen zeggen: ‘Kom!’ 8 Toen zag ik een vaalgeel paard. De ruiter heette Dood, en Dodenrijk vergezelde hem. Zij kregen toestemming om op een vierde deel van de aarde dood en verderf te zaaien, door middel van het zwaard, hongersnood, dodelijke ziekten en wilde dieren. 9 Toen het lam het vijfde zegel verbrak, zag ik aan de voet van het altaar de zielen van al degenen die geslacht waren omdat ze over God hadden gesproken en vanwege hun getuigenis. 10 Ze riepen luid: ‘O heilige en betrouwbare Heer, wanneer zult u de mensen die op aarde leven eindelijk straffen en ons bloed op hen wreken?’ 11 Ieder van hen kreeg witte kleren. Verder werd hun gezegd nog een korte tijd geduld te hebben, totdat ook de andere dienaren, hun broeders en zusters die net als zij zouden worden gedood, zich bij hen gevoegd zouden hebben. 12 Ik zag, toen het zesde zegel verbroken werd, hoe er een zware aardbeving kwam. De zon werd zwart als een rouwkleed en de maan werd bloedrood. 13 De sterren vielen op de aarde, zoals late vijgen die door een stormwind van de boom worden gerukt. 14 De hemel scheurde los en rolde zich als een boekrol op. Geen berg of eiland bleef op zijn plaats. 15 Koningen, machthebbers, legeraanvoerders, rijken, aanzienlijken, slaven en vrije mensen, iedereen trachtte zich te verbergen in grotten en tussen de rotsen in de bergen. 16 Ze riepen de bergen en de rotsen toe: ‘Val op ons neer! Verberg ons voor het oog van hem die op de troon zit en voor de toorn van het lam! 17 Want nu is de grote dag van hun toorn aangebroken, en wie kan die doorstaan?’
3e lezing Johannes 10: 17-21
17 De Vader heeft mij lief omdat ik mijn leven geef, om het ook weer terug te nemen. 18 Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf. Ik ben vrij om het te geven en om het weer terug te nemen – dat is de opdracht die ik van mijn Vader heb gekregen.’ 19 Opnieuw ontstond er verdeeldheid onder de Joden om wat hij zei. 20 Veel mensen zeiden: ‘Hij is bezeten, hij is gek. Waarom luisteren jullie nog naar hem?’ 21 Maar anderen zeiden: ‘Dit zijn niet de woorden van iemand die bezeten is, en een demon kan de ogen van blinden niet openen.’

